Geplaatst door: 
Biografie

Hendrik Entjes

Hendrik Entjes (Rheine in Westfalen, 17-09-1919 – Nieuwleusen, 08-05-2006). Hendrik groeide op in Vroomshoop en was daar ook onderwijzer. Daarna werkte hij als leraar te Almelo, Amersfoort en Zwolle en als lector aan de Westfälische Wilhelms-Universität te Münster. Entjes beschouwde professor dr. C.B. van Haeringen als zijn belangrijkste leermeester*. Die bracht hem op het spoor van de streektaal van Vriezenveen. In 1968 promoveerde Entjes aan de universiteit van Münster op Die Mundart des Dorfes Vriezenveen in der niederländischen Provinz Overijssel. In 1964 werd Entjes hoofd van de lexicografische afdeling van het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groninger (RUG) en in 1974 werd hij benoemd als hoogleraar Nedersaksische taal- en letterkunde, tot zijn emeritaat in 1982.

Hendrik Entjes was een autoriteit op het gebied van de taal- en letterkunde van Oost-Nederland en de aangrenzende Nederduitse gebieden. Al vroeg heeft hij zich ingezet voor een gelijkwaardige plaats van de streektaal of ‘moedertaal’ ten opzichte van het ‘algemeen beschaafd Nederlands’, nu de standaardtaal genoemd.

Naast de vele wetenschappelijke publicaties betreffende de taal- en letterkunde schreef hij verhalen en gedichten; af en toe in de streektaal, zoals: 'De leuge stee in Schriewied; verhalen en gedichten van Neersasse Schrievers' (1958), eerder gepubliceerd in de Moospot, tiedschrift van de Sallandse schrieverskring. Dat begint als volgt:

‘April was net begunnen en 't wol veurjaor wörden. De Duutsers waren de veurige dag hen egaon en Canadese soldaoten trökken met wat geschiet hier en daor umme de boerderijen hen en gungen wieder. Toen was 't stille ewörden. De boerschop lag, as jaoren heer, weer buten 't gebeuren van de wereld, te wachten op blad en bleuj. En 't leek der op, dat 't so sol blieven, weer veur lange, lange jaoren.(…)’

 

Bron: Hermann Niebaum. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2006-2007. p. 72 t/m 80.

Bron: F.G.H.  Löwik, De Twentse Beweging: strijd voor modersproake en eigenheid (2003)

Bron: G. Bartels Martens, Een rondje Nieuwleusen (Kampen, IJsselacademie, 1997)

 

   *Toch zette Entjes zich in 1953 af tegen zijn leermeester tijdens een door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam gehouden symposium. Van Haeringen stelde dat de nivellering onverbiddelijk voortschreed en dat iedereen die van oorsprong streektaalspreker was tot taak had zichzelf ‘op te voeden’ in het gebruik van de cultuurtaal. Entjes eiste daarentegen principieel een plaats op voor de streektaal. Tijdens de voorjaarsvergadering in 1954 van de Algemene Vereniging Twente te Delden sprak Entjes over de verhouding Twents en Nederlands en verklaarde waarom hij opkwam voor het gebruik van streektalen, naast het Nederlands. In Dialecten in Nederland (1974) noemt hij streektalen tekenen van tegenspraak en opspraak. Hij wilde de misverstanden en het onbegrip over betekenis, achtergrond en herkomst van de streektalen ophelderen. Hij ging onder meer in op het ontstaan van streektalen, hun plaats in kranten, school en kerk, de vraag naar het wezen en de waarde ervan en de geschiedenis van het wetenschappelijk onderzoek.